terug

Dwars door het gebied van de wijk liep van 1908 tot 1953 het tracé van de spoorlijn Rotterdam Hofplein – Scheveningen. Langs het gebied reed tussen 1924 en 1959 de Haagse stadstram naar Marlot. Bij de Carel Reinierszkade lagen rond 1930 de ijsbanen van de Haagse IJsclub. Op de hoek bij de Bezuidenhoutseweg, aan de andere kant van die kade, lag de uitspanning Overbosch met een speeltuin. Dwars over het weidegebied, waarop de wijk is aangelegd, ongeveer ter hoogte van de Roggekamp/Reigersbergerweg liep de Loolaan van het Kleine Loo naar het Grote Loo in Voorburg. Naast het Kleine Loo lag aan de Bezuidenhoutseweg tot in de jaren vijftig van de 20e eeuw de windhondenrenbaan Marlot. Langs de Bezuidenhoutseweg lagen vanaf Huis ten Bosch de boerderijen Mariëndaal, Veelust, Mariahoeve, Zuidwerf en Hofzicht.

hofzichttram
Tram Hofzichtlaan

Station Mariahoeve.

Plannen voor deze wijk zijn al gemaakt ver voor de Tweede Wereldoorlog, door onder andere de (stads)architect Dudok. Vanwege de problemen die de spoorlijn gaf voor een goede wijkontwikkeling gebeurde er voor de Tweede Wereldoorlog niets. Pas in 1957 werd het Uitbreidingsplan Mariahoeve goedgekeurd, nadat de spoorlijn in 1953 was opgeheven en F. van der Sluys in 1954 een schetsontwerp had gemaakt. Reigersbergen kwam in dit plan niet voor en bleef een open groengebied.

De eerste paal voor de aanleg van de nieuwe wijk werd geslagen op 29 mei 1958. De ‘kleine huisjes’ aan de Boekweitkamp zijn de eerst gebouwde woningen.

Mariahoeve heeft een rechthoekige hoofdstructuur met een viertal wijkontsluitende wegen, waarvan in de meeste gevallen de rijbanen door groenstroken zijn gescheiden. De wijk wordt op deze wijze in zes buurten verdeeld. Deze hebben als gemeenschappelijk kenmerk een groene kern met aan de noordoostzijde flats in vier lagen en aan de westzijde eengezinswoningen. In vijf van deze groenkernen staan overhoeks geplaatste flatgebouwen van twaalf lagen, een school en buurtwinkelcentrum. De middelste buurten hebben een wijkpark of een sportterrein.

In 1966 werd aan de spoorlijn Den Haag – Leiden het station Den Haag Mariahoeve geopend. Rond het station en in een gedeelte van het aangrenzende gebied tussen de wijk en de spoorlijn heeft in de jaren tachtig en negentig intensieve kantorenbouw plaatsgevonden.

Naamgeving.

De naam van de wijk herinnert aan de boerderij Mariahoeve. Van de straatnamen, die samengesteld zijn uit meisjesnamen en het woord land zegt men wel dat zij naar de koeien van die boerderij vernoemd zijn of naar de zusters van de laatste boer. Een aardige verklaring, maar helaas niet waar. De schrijver F. Bordewijk is betrokken geweest bij deze straatnaamgeving. Evenals bij die van de andere straatnamen. Zo zijn er straten met namen van granen met het achtervoegsel kamp, b v. Gerstkamp, of inwoners van landen met als achtervoegsel burg, bijvoorbeeld Hongarenburg en edelstenen met als achtervoegsel horst, zoals Saffierhorst.

Dwars door de wijk liggen de grote straten die herinneren aan de buitenplaatsen die daar gelegen hebben, Het Kleine Loo en de Reigersbergerweg of aan boerderijen, zoals de Hofzichtlaan.

De eerste flat had een lavet, heel modern, later ontstond het verlangen naar een douche. Als huurder betaalde je zelf mee aan de aanleg daarvan, maar zag je daar iets van terug toen je noodgedwongen moest vertrekken omdat de slopershamer werd gehanteerd?
Het uitbreidingsplan Mariahoeve maakt nu onderdeel uit van de wijk Marlot-Mariahoeve. Sinds de nieuwe wijkindeling van de jaren 1980 is deze naam gewijzigd in ‘Mariahoeve en Marlot’. Het staat overigens vrij om het te hebben over de wijk Mariahoeve, want er is vermoedelijk de laatste eeuwen geen officieel door B&W of de gemeenteraad vastgestelde algemene wijkindeling geweest (de laatste officiële algemene wijkindeling was waarschijnlijk die uit 1797). Het is daarom niet fout om te spreken van een ‘wijk’ Mariahoeve. Dat gebeurt in de volksmond en het gebeurt door gemeentelijke diensten.

Stadsuitbreiding
Den Haag zat tot in de 19de eeuw nog ingeklemd tussen de 17de-eeuwse grachtengordel, maar in de 19de eeuw begon een grote bevolkingsgroei. Er kwamen daarom stadsuitbreidingen buiten de grachtengordel, vaak gepaard aan verschuiving van gemeentegrenzen. Het aan Mariahoeve grenzende Bezuidenhout kon nog op Haags grondgebied gebouwd worden, maar achter de Carel Reinierszkade lag Wassenaar. Het Bezuidenhout was de eerste stadsuitbreiding aan de oostkant  van de stad. Het werd een wijk voor welgestelden ‘op het veen’.

Situatie voor de bouw van Mariahoeve. Marlot is klaar of in aanbouw en de spoorlijn ligt er nog. (De Haagse windrichtingen kunnen verwarrend zijn. De kust ligt iets meer ten noorden dan ten westen van Den Haag, daarom kreeg het Benoordenhout de naam omdat het ten noorden van het Haagse Bos lag. Kaarten van Den Haag zijn altijd een beetje verdraaid om er voor te zorgen dat Mariahoeve ten oosten van het Bezuidenhout ligt.)

In het plan-Lindo uit 1903 werden al straten geprojecteerd op het grondgebied van Wassenaar. Op dat moment was dit gebied nog maar spaarzaam bebouwd. Er lag bos, er lagen weilanden, enkele landhuizen en boerderijen. In het meest drassige deel van het Haagse Bos was in 1645 al het zomerverblijf van de Oranje’s gebouwd. Een kleine eeuw later werd deze Oranjezaal met vleugels uitgebreid tot Huis ten Bosch. Aan de zuidkant van de Bezuidenhoutseweg lagen in de Veenpolder enkele boerderijen en buitenhuizen. Het bekendste buitenhuis in het gebied van het latere uitbreidingsplan was het Kleine Loo. Dat maakte een tijd deel uit van het landgoed rond Huis ten Bosch.

Na de voltooiing van het Bezuidenhout werden er plannen gemaakt voor verdere stadsuitbreiding. Met het plan-Lindo werd niets gedaan. Ook niet met het uitbreidingsplan van stadsbouwmeester H.P. Berlage (1908). Hij tekende twee driehoekige wijkjes omdat de in 1908 gereedgekomen spoorlijn van Hollandse Spoor naar Scheveningen diagonaal door dit gebied was gelegd. De twee wijkjes werden bestemd voor arbeiderswoningen. De landgoederen Reigersbergen en Marlot waren bestemd voor villawijken. Het duurde even voordat dit plan een vervolg kreeg. Pas op 18 maart 1936 werd dit door architect W.M. Dudok gepresenteerd. Het gebied ten noorden van de Bezuidenhoutseweg (‘Marlot’) werd bestemd tot villawijk en werd ook als zodanig uitgevoerd. Het deel ‘Mariahoeve’ werd ondanks regelmatige aanpassing niet uitgevoerd. De diagonale spoorweg maakte het onmogelijk om een rendabel stratenplan te ontwerpen. Bovendien werd in 1942 het noordelijke deelplan afgekeurd door de Kroon . Dat deel van het plan moest later daarom door Gedeputeerde Staten worden vastgesteld en niet door de gemeenteraad.

Na de oorlog was er grote woningnood en werden de Veen- en Binckhorstpolder en Reigersbergen in het structuurplan van W.M. Dudok (1949) aangewezen als woningbouwlocatie. Het spoorwegprobleem werd onverwacht opgelost toen de Nederlandse Spoorwegen besloot om die lijn op te heffen. Dat maakte het mogelijk om een beter plan op te stellen dan dat van Dudok. Voor het nieuwe plan werd door de ‘Gemeentelijke dienst voor de wederopbouw en de stadsontwikkeling’ een interne competitie uitgeschreven. Het winnende plan was van ir. F. van der Sluijs. Deze had zich bij het ontwerpen van het plan laten inspireren door de nieuwe wijken van Stockholm die hij op een studiereis had gezien. De meer vrije Zweedse stedenbouw zag hij als een alternatief voor de monotonie van wijken als Morgenstond . Dit plan werd in aangepaste vorm in 1956 als ‘Uitbreidingsplan Mariahoeve’ goedgekeurd. Het gebied Reigersbergen kwam in dit plan niet voor en zou nog lang een open groengebied blijven. Het was bestemd voor een internationale school die zich na tegenwerking van enkele Haagse dames buiten Den Haag vestigde. Gedeputeerde Staten stelde het plan vast voor het deel dat in 1942 was afgekeurd.

Doelstelling van de wijk
Het ontwerp van Mariahoeve had een duidelijk hoofddoel. De directeur van de ‘Gemeentelijke dienst voor de wederopbouw en de stadsontwikkeling’ Bakker Schut ergerde zich aan het grote standsverschil dat er in Den Haag bestond. Buiten de eigen sociale laag kon niet worden getrouwd en als iemand promotie maakte moest hij eigenlijk verhuizen naar een betere wijk. Bakker Schut wilde in Mariahoeve die scheiding doorbreken door woningen te laten bouwen voor bijna alle inkomensgroepen. Dat maakte een einde aan het gescheiden wonen. Dat dit plan slaagde kwam mede door de grote woningnood. Alleen in Mariahoeve werden op dat moment voldoende huizen gebouwd. De sociale integratie bleef overigens beperkt tot wonen in dezelfde buurt of wijk. Men woonde niet vlak naast elkaar. Ontwerper Van der Sluijs noemde later deze opzet goed geslaagd. Volgens hem  had Mariahoeve een van de meest levende en levendige bewonersorganisaties.

Plan van de wijk
Ook op andere manieren week de opzet van Mariahoeve af van andere wijken uit die tijd. Bij Mariahoeve loopt de (verkeersarme) hoofdontsluitingsweg dwars door de wijk en niet er omheen (Het Kleine Loo). Ook de tram die daar loopt krijgt daardoor zijn maximale rendement. Dwars op deze weg lopen twee andere hoofdwegen door de wijk. Het aantal zijstraten van deze wegen naar de woonwijken is beperkt gehouden, veel minder dan bij andere wijken.
Het wegenplan van de wijk vertoont weliswaar een rechthoekig stramien, net als bijvoorbeeld Morgenstond, maar lichte knikken in belangrijke wegen en de ongelijkvormigheid van de buurten moesten voor afwisseling zorgen. Er werd geen strakke opbouw nagestreefd, maar juist een zo groot mogelijke afwisseling in de woonomgeving. In één buurt kwamen bijvoorbeeld drie woonnormen voor: eengezinshuis, etagebouw en de werkelijke hoogbouw. Dat kwam niet voor bij andere wijken uit die tijd. Ook bouwvormen zoals sterbebouwing en L- en Z-vormige blokken kwamen nog niet veel voor. Verder lag het grote wijkwinkelcentrum niet aan weerskanten van de hoofdweg Het Kleine Loo, maar aan één kant daarvan.

De wijk was verdeeld in vijf (volgens Van der Sluijs) of zes (volgens het MIP ) buurten die alleen bestemmingsverkeer zouden moeten krijgen. Elke buurt werd volgens een vast thema opgebouwd, maar telkens op een iets andere manier. Elke buurt had:
•    een groen middenterrein met aan de noordzijde aaneengesloten hoogbouw
•    enkele buurtwinkels en een school of openbaar gebouw
•    eengezinshuizen aan de zuidzijde

De plaatsing van de wooncomplexen werd bepaald door het zonlicht. Aan de noordkant werd de buurt afgesloten door hoogbouw in vier woonlagen. Aan de zuidkant ontwierp men zoveel mogelijk eengezinshuizen. De ruimte hier tussenin is zoveel mogelijk open gehouden voor de noodzakelijke buurtvoorzieningen zoals winkels, een school en slechts enkele hoge flatgebouwen van twaalf verdiepingen. De middelste buurten van Mariahoeve hebben een wijkpark (noordelijke deel van Burgen en Horsten) of sportterrein (het zuidelijke deel van deze buurt). De laatste buurt heeft ook hoogbouw in de groene kern.

 Plan voor Mariahoeve. Duidelijk zijn de vijf buurten te zien met torenflats in het centrum. Verder de gebogen lijnen die afwijken van de strakke bouw van andere wijken uit die tijd.

De vier buitenzijden van de wijk kregen een verschillende invulling die meestal bestond uit hoogbouw, soms volkstuintjes en later een treinstation (Mariahoeve) en kantoren. Aan de westrand van de wijk werden sportvelden aangelegd. Die waren vooral bestemd voor scholen. De resterende sportaccommodaties moesten ook het Bezuidenhout bedienen.

De invulling
De voorgestelde woningvoorraad was (soort, aantal, percentage):

 eengezinshuizen 5007  3%
 woningen boven bedrijven, twee hoog  115  1,7%
 woningen in drie lagen  145  2,1%
 woningen in vier lagen  3300  48%
 woningen in vijf lagen  375  5,4%
 woningen in zeven lagen  1515  22%
 woningen in twaalf lagen  930  13,5%
 winkelwoningen   80

Het verwachtte aantal inwoners zou 25.700 zijn (3,7 persoon per woning). Het aantal winkels (160) was voor deze wijk aan de lage kant, maar in het Bezuidenhout waren nieuwe winkels gedacht. En verder vond men dat de binnenstad niet te ver weg lag.
Op het gebied van onderwijs werd Mariahoeve goed voorzien. Ook kwamen er enkele wijkoverstijgende scholen. Die nemen met hun sportvoorzieningen en het omliggende groen een belangrijke plaats in de wijk in.

  De wijk Mariahoeve en Marlot en de buurten Marlot, Kampen, Burgen en Horsten en Landen

Het wijkwinkelcentrum
Mariahoeve zou naast enkele kleine buurtwinkelcentra een centraal gelegen wijkwinkelcentrum krijgen. Omdat de bouw van het grote winkelcentrum steeds werd uitgesteld werden de reeds bestaande buurtwinkelcentra groter dan was bedoeld. Toen het grote winkelcentrum er toch kwam konden de meeste winkeliers in de buurtcentra op den duur het hoofd nauwelijks boven water houden. De bouw van het wijkwinkelcentrum was door de gemeente toegezegd aan de Landbank N.V. van bouwondernemer R. Zwolsman. Dat was in ruil voor diens hulp bij een geldleenconstructie die de gemeente uit financiële moeilijkheden hielp. Maar het winkelcentrum kwam niet van de grond toen de grote winkelbedrijven de door de Landbank gevraagde huur te hoog vonden. Zij stapten naar de gemeente Leidschendam en ontwikkelden daar het winkelcentrum Leidschenhage. De plannen voor Mariahoeve lagen stil en Zwolsman werkte niet mee als andere bouwondernemers in zijn plaats het grote winkelcentrum wilden bouwen. Uiteindelijk mocht een ander bouwbedrijf op een klein deel van de grond toch een begin van een winkelcentrum bouwen, maar er kon pas echt een winkelcentrum gebouwd worden toen de Zwolsman-bedrijven failliet waren gegaan.

Waardering voor het ontwerp
Het ontwerp werd wisselend gewaardeerd. Dudok vond het ontwerp een voorbeeld van gebrek aan ordelijk denken, dat typerend was voor de verkeerde weg die Den Haag was ingeslagen. Haagse architecten wilden er tegen ageren. Achteraf wordt Mariahoeve positief beoordeeld. Zowel op de visuele aspecten als het functionele aspect van de wijk. Boer en Lambert zien Mariahoeve als een reactie op de door Dudok ontworpen wijken als Morgenstond. Mariahoeve scoort volgens hen op alle punten beter dan deze wijk.
Er was ook kritiek van bewoners. Een van hen, J. van der Toorn, uitte in 1960 kritiek op de wanverhouding tussen hoog- en laagbouw. Verder vond hij dat er te veel plantsoen was en dat er te weinig privétuinen waren. Er was ook kritiek op de bereikbaarheid van de buurten. De winkelcentra hadden verschillende winkels en het was niet makkelijk om van het ene winkelcentrum naar het andere te rijden. Er was ook kritiek op het ‘gemengd wonen’. Maar er was lof voor het visuele aspect van de wijk.

Uitvoering
Mariahoeve was een vrij groot uitbreidingsplan. De wijken Moerwijk en Morgenstond, waren samen 200 hectare en werden gebouwd van 1948 tot en met 1953. Bouwlust, Vrederust-Oost en Berestein waren samen 150 ha en werden gebouwd van 1953 tot en met en 1956. Mariahoeve besloeg 170 ha en zou worden uitgevoerd van 1957 tot en met 1959. Uiteindelijk is het voor het grootste deel gebouwd tussen 1958 en 1970. In 1957 werden de door de schrijver Bordewijk bedachte straatnamen vastgesteld. Die straatnamen volgden het stramien dat ook al was toegepast in het uitbreidingsplan Berestein-Bouwlust-Vrederust. Alle straten in een bepaalde buurt kregen hetzelfde achtervoegsel. In Mariahoeve kregen straten het achtervoegsel “kamp”, “burg”, “horst” of “land”. Het voorvoegsel was gelijkvormig. Stratennamen met ‘land’ hadden altijd een vrouwennaam als voorvoegsel.

Op 29 mei 1958 heide wethouder Van Lissa Nessel in aanwezigheid van burgemeester Kolfschoten de eerste paal in de grond voor een complex van 80 woningen en 6 garages.

Geraadpleegde literatuur:
•    Niek de Boer, Donald Lambert, Woonwijken. Nederlandse stedenbouw 1945-1985. Rotterdam 1987.
•    Dienst REO, afdeling Monumentenzorg, Monumenten Inventarisatieproject Den Haag 1850-1940, februari 1992
•    Ir. F. van der Sluijs, Haagse Stedebouw. Mijn ervaringen in de jaren 1946-1983. Utrecht 1989.
•    Uitbreidingsplan voor het gebied Mariahoeve d.d. 20 juli 1956. in: Verzamelingen 1956 no. 548.

Overige literatuur:
•    Anneloes Groot, Mariët Herlé, Vijftig jaar wonen in Mariahoeve, Den Haag 2008.
Verder is er nog meer literatuur over allerlei detailzaken.

Jan van Wandelen
Haags Gemeentearchief